
Nieuwe aflevering column Adriaan Noordergraaf: Wolk
· leestijd 1 minuut ColumnIn deze nieuwe aflevering van zijn column, vertelt Adriaan Noordergraaf over een jeugdzonde.
Wolk
Ik moet jullie iets bekennen: ik heb het vroeger ook gedaan. OK, het is jaren geleden, maar in die tijd deed iedereen het. De dokter, de dominee, de slager, de meester voor de klas. Het was doodnormaal en alom geaccepteerd. Ook op televisie, in het parlement, op verjaardagen en recepties, het was gangbaar en gebruikelijk.
Paria
Nu mag het nergens meer, sterker nog, als je het nu nog doet ben je een soort paria, een uitgestotene. Overal wordt je geweerd, overal hangen bordjes. Je wordt verwezen naar de speciale plekken waar je met andere ‘zondaars’ oogluikend je gang kunt gaan. Als het zo doorgaat, wordt je met de vinger nagewezen als een van de laatste die ‘het nog doet’.
Hindernis nemen
Stiekem, heel stiekem verlang ik er nog wel eens naar. Om zo’n goudkleurig pakje open te maken door het cellofaan eraf te trekken en er één uit te pakken. Maar het is niet verstandig, dat weet nu iedereen. Daarmee wil ik degene die het nog steeds doen niet veroordelen, ik weet hoe moeilijk het was te stoppen. Maar toen ik eenmaal die hindernis genomen had, was ik daar erg content mee. Ik moet eerlijk zijn, het is destijds niet in één keer gelukt, ik had één valse start. Maar toen het voor de tweede keer lukte, was ik zo trots als een pauw.
Bizarre situaties
Goed, mijn eerste stak ik, uitgedaagd door mijn neefjes op toen ik een jaar of elf was. Want zoals iedereen weet, dé manier om iets gedaan te krijgen is uitdagen, zeker op die leeftijd. Dat leidde tot de meest bizarre situaties: Het springen over een sloot die daar veel te breed voor was. Afsteken van een rotje om het ding daarna in een fles te gooien (levensgevaarlijk) Ik heb zelfs een keer op het punt gestaan de kop van een muis af te bijten. Gelukkig ging dat niet door omdat één van de meisjes die toekeek van afschuw en ontzetting flauwviel. Daar kwam ik dus mooi vanaf.
Ziek
Maar het opsteken moest ik wel doen, want er werd geroepen dat ik dat toch niet durfde. Bovendien stond de halve klas toe te kijken, dus dan kon je niet anders. Ik heb het geweten, het was één van de smerigste dingen die ik tot dan toen gedaan had. Nee, dan beet ik liever de kop van die muis af. Wat ben ik ziek geweest! Lijkbleek schoof ik na het speelkwartier de bank in, die ik vervolgens onderkotste. Ik werd naar huis gestuurd en mijn vader vermoedde wel wat er aan de hand was. Nadat ik jankend en nederig bekende wat ik gedaan had, heb ik ongenadig op mijn sodemieter gehad.
Maar voor hij met die tuchtiging begon, legde hij eerst zijn sjekkie in de asbak.































