
De gaai
· leestijd 1 minuut ColumnDeze tweewekelijkse natuurcolumn wordt verzorgd door natuurfotograaf Philip Friskorn uit Oldemarkt. Deze column gaat over de gaai.
De familie van kraaiachtigen bestaat in Nederland uit zes soorten: raaf, roek, zwarte kraai, kauw, gaai en ekster. Dit zijn stuk voor stuk standvogels, dus het gehele jaar aanwezig. Tijdens een strenge winter in Oost Europa kan een notenkraker bij ons op bezoek komen en lang geleden waren groepen bonte kraaien uit Noord- en Oost Europa veel geziene wintergasten.
Blauwe dekveren
Uit de familie van kraaiachtigen licht ik dit keer de gaai er uit. Tot zo’n 25 jaar geleden werd deze vogel Vlaamse gaai genoemd. Qua kleur is het de meest opvallende vogel in het rijtje kraaiachtigen. Tijdens de golvende vlucht is de witte stuit mooi zichtbaar, het beige-bruine lijf met bruine kop en zwarte baardstreep is opvallend. De wit-zwarte armpennen vallen ook op, maar het meest opvallend zijn de blauwe dekveren met een fijne zwarte bandering.
De wetenschappelijke naam van veel vogels zegt iets over het gedrag. Voor de gaai is dat Garrulus glandarius wat zoveel betekend als ‘voortdurend krassende eikelzoeker’. Door hun slimheid hebben ze indringers snel in de gaten en slaan alarm, hierdoor zoeken andere dieren een veilig heenkomen.
Eikels
De bosvogel heeft ook onze stadsparken ontdekt. De vele eiken die we in Nederland hebben zijn aantrekkelijk, want in de herfst worden eikels massaal verzameld en verstopt om bij voedselschaarste de winter door te komen. Een bezoek aan de voedertafel in de tuin is ook mogelijk, vetbollen en zaden zijn dan aantrekkelijk. In het voorjaar kan ook een eitje van een zangvogel of een jonge vogel op het menu staan, maar dat duurt maar kort zolang ze jongen in het nest hebben. De gaai: een vliegend kleurenpalet!
































