
Van Steenwijk naar Tuk
· leestijd 1 minuut ColumnHarry Stegeman baseert zijn columns vooral op zijn bij KNNV Uitgeverij verschenen boek ‘In de Kop van Overijssel - lopen, fietsen en stilstaan’.
Ik sta in Steenwijk op het middeleeuwse Terreplein. Best imposant, die stadswal voor m’n neus. Jacob van Lennep was in 1823 op zijn voetreis door Nederland ook al onder de indruk: “Binnen twee uur waren we in Steenwijk, dat er afschrikwekkend uitziet door de enorm hoge wallen.” Ik beklim het gevaarte en ben over het wandelpad al snel op de voorname Kornputsingel. Daar tel ik de rijksmonumenten en kom tot zestien.
De Kornputsingel komt uit op de Tukseweg. Dat klinkt anders, en dat is het ook. Meteen links staat Restobar ’t Veerhuys, met voor de deur een parkeerterrein waar je water verwacht. Het Steenwijkerdiep en de Turfhaven hier zijn halverwege de vorige eeuw gedempt. Zo ging dat toen.
Het Steenwijkerdiep
Het Steenwijkerdiep gaat honderd meter verderop gelukkig alsnog van start. Daar springt een rechthoekige kolos met een bakstenen voet en een houten opbouw in het oog. Een ‘Geschenk van den heer S. Tromp Meesters aan de vereeniging tot bestrijding der bedelarij door werkverschaffing gebouwd in 1895,’ zegt een tekst boven de voordeur. Na de oorlog maakte de speelgoedfabriek ’t Poppenrijk hier de Wildebras, eerst nog van papier-maché. Maar nu zit er een Chinees restaurant.
Mooi man!
Ik blijf op de Tukseweg. Het kan niet missen: nog even, en ik ben in Tuk. Ik zag de watertoren al een tijdje. Het is sprekend die van Sint Jansklooster. Het dorpje aan de voet van de Woldberg stond aan het eind van de vorige eeuw landelijk op de kaart vanwege het Mannenkoor Karrespoor. De heren begonnen in café De Karre, vandaar. ‘Mooi man!’, zongen de Tukkers - of is het Tukkenaren? En ‘Lekker op de trekker’. Ze trokken onlangs het land nog weer in, omwille van de ammoniak en de stikstof.































