
Vijf vragen aan Anja Verbers, schrijver van het pas verschenen boek ‘Pingoruïnes’
· leestijd 1 minuut CultuurREGIO - ‘Pingoruïnes, Bijzondere ijstijdrelicten in het landschap’, dat is de titel van het boek dat door Anja Verbers is geschreven. Daarin beschrijft zij deze bijzonder landschapselementen in de provincies Drenthe, Groningen en Friesland. Het verscheen op 26 juni bij uitgeverij Noordboek. De redactie stelde haar vijf vragen.
1. Kan je aan een leek uitleggen wat een pingoruïne is?
Een pingoruïne is een overblijfsel van een pingo. Pingo’s zijn ijsheuvels in het landschap, die zich vormden aan het einde van de laatste ijstijd. Van onder de bevroren bodem drong diep grondwater er doorheen, en bevroor in de toplaag. Op dat moment vormt zich een kleine ijslens die doorgroeit tot een heuvel. Hierbij barst de opgetilde bodem en komt er zonlicht bij het ijs. Vanaf dat moment treedt verval p en ontstaat er uiteindelijk een pingoruïne: een laagte in het landschap, gevuld met smeltwater.
2. Hoe is jouw voorliefde voor pingoruïnes ontstaan?
Eigenlijk per toeval. Ik kende het fenomeen uit mijn studietijd, maar pas tijdens het onderzoek in Friesland (2006-2007) deed ik er voor het eerst onderzoek naar. Dat was fascinerend, vanwege de type vullingen en hun landschappelijke situatie.
3. In ons verspreidingsgebied zou ook een pingoruïne liggen en wel in Landgoed De Eese bij Steenwijk. Kun je daarover wat vertellen?
Ik heb hier zelf geen onderzoek naar gedaan, maar wat ik zie is dat op de rug waarop het landgoed ligt, en die de westelijke rug vormt van de stuwwalboog van Havelte, geen pingoruïnes liggen. Wel ligt een aantal waarschijnlijke pingoruïnes op de noordoostelijke flank van die rug, maar deze zijn nog niet onderzocht en als zodanig vastgesteld. Ook ten noordoosten van Willemsoord liggen een aantal mogelijke pingoruïnes, zoals ’t Jodenveentje en de Pol. Hetzelfde zie je bij de Havelterberg; ook hier liggen geen pingoruïnes op de rug zelf, maar wel op de flanken. Ook liggen er een aantal uitblazingskommen rondom de rug.
4. Welke drie pingoruïnes in jouw boek vind je het meest bijzonder?
Dat is een moeilijke keuze, want er zijn zoveel bijzondere locaties… Maar het ‘Ei van Onnen’ in Groningen is bijzonder omdat die nog helemaal gaaf is, en bij Zeijen liggen ook een aantal mooie pingoruïnes, zoals het Witteveen en het Meestersveen. Verder zijn de droge pingoruïnes op het zuidelijke deel van de Hondsrug erg bijzonder; dat zie je verder nergens!
5. Noem nog eens drie onderwerpen uit jouw boek die boeiend zijn voor onze lezers?
Ik heb het onderzoek vanuit aardkundig perspectief uitgevoerd; vaststellen of het wel of geen pingoruïne betrof en in hoeverre die nog gaaf zijn. Hoe hun opbouw is, is vaak nog onbekend bij de meeste mensen. Maar pingoruïnes zijn ook archeologisch erg interessant; er is van alles in en bij gevonden. Dat wordt uitgebreid beschreven in te boek. Ook het cultuurhistorische aspect is erg bijzonder: de mens ontdekte vanaf 1850 ongeveer, deze kleine veentjes temidden van de heide en bedacht dat dat veen gewonnen en gebruikt kon worden als brandstof. Vandaar dat er nu zoveel openwatertjes zijn! Met andere woorden: de gave veentjes zijn vrij zeldzaam! Pingoruïnes zijn echte pareltjes in het landschap!































