
Column Harry Stegeman: Langs het Meppelerdiep
· leestijd 1 minuut ColumnHarry Stegeman baseert zijn columns vooral op zijn boek ‘In de Kop van Overijssel - lopen, fietsen en stilstaan’.
Het is rustig bij de Beukerssluis, de toegangspoort naar het Nationaal Park Weerribben-Wieden en de Friese meren. Er zijn dagen dat er driehonderd zeilboten, motorjachten en sloepjes passeren. Het zweet breekt menig schipper uit zodra de hindernis in zicht komt. “En de vrouw krijgt altijd de schuld als het misgaat,” zegt ook hier de brugwachter. Ik steek de Beukersgracht over. Het jaagpad waarover de in een treklijn gespannen schippersvrouwen hun schip voorttrokken, is nu een comfortabel fietspad. Links houdt het Nationaal Park op, aan de andere kant van het Meppelerdiep begint een weids slagenlandschap. De grutto, de tureluur en de kievit schijnen er goed te boeren. En er komt hulp voor de wulp, onze grootste steltloper: vrijwilligers spannen schrikdraad om hun nesten. Dat zal ze leren, de vossen.
Landbouwbank
Mijn blik blijft nog even op de overkant van het Meppelerdiep gericht: ik zie de graansilo van de Coöperatieve Landbouwbank Meppel uit 1956. De ‘Landbouwbank’ was in mijn jonge jaren van belang als oriëntatiepunt. Zeilend op de Beulaker- en Belterwiede hield je in het westen de watertoren van Sint Jansklooster in het oog, in het oosten deze ‘wolkenkrabber’. De schoorsteenpijp van gemaal Stroink was ook zo’n iconisch oriëntatiepunt op de plassen. Die graansilo van toen is, las ik, nu van belang voor de provincie Drenthe ‘vanwege de cultuurhistorische waarde, als een bijzondere en representatieve uitdrukking van de Drentse graanindustrie en als referentie aan de naoorlogse industrialisatie van de landbouw van Drenthe, de architectuurhistorische waarde, zich uitend in de esthetische kwaliteiten van het ontwerp en als uitdrukking van een technische en typologische ontwikkeling en de stedenbouwkundige waarde van het object als landmark’. Ik kijk ineens met heel andere ogen naar die Landbouwbank.
































