
Nieuwe aflevering: Een duik in het verleden van Giethoorn: de werkverschaffing (1)
· leestijd 3 minuten ColumnGIETHOORN - In deze maandelijkse rubriek duikt Gerke van Hiele, predikant van de Doopsgezinde Gemeente, in het Gieters verleden. In deel 28 keert hij terug naar 1928, naar de werkverschaffing
Het gebouw van de NV Ontginningsmaatschappij Land van Vollenhove aan de Kapelweg (nu: Mechanisatiebedrijf Evenhuis) staat er nog. Leuk om even te stoppen en de teksten te lezen die op het schoppenhek zijn aangebracht:
‘Deze polder werd tijdens de crisis rond 1930 in werkverschaffing drooggelegd. De tewerkgestelden waren werklozen uit de streek en grotestadswerklozen onder anderen uit Rotterdam, Haarlem, Utrecht, Papendrecht, Den Haag en Zwolle.
Onmisbare attributen bij het grondwerk waren een kruiwagen en twee schoppen: een panschop (een schepschop) en een Groninger schop (een steekschop).
In het dorp Giethoorn geschiedde al het verkeer te water. Door de drooglegging is het traditionele verkeer op deze plek verstoord. Het dorp met zijn bedrijven enerzijds en de ‘nieuwe’ cultuur-gronden anderzijds, vormen geen eenheid meer.’
Moerassige grond
Met de plechtigheid van het steken van de eerste spade op 14 december 1928 door de minister van Binnenlandse Zaken, mr. J.B. Kan, werd een begin gemaakt met de ontginningswerken. De N.V. Ontginningsmaatschappij was onder meer opgericht voor het droogmaken van de polder Giethoorn. Dit was in die jaren een nieuwe mogelijkheid die in beeld kwam nadat het grote A.F. Stroinkgemaal (1919) in gebruik was genomen. De meeste beleidsmakers hadden trouwens geen hoge pet op van dit gebied. Ze vonden het maar moerassige grond met morsig struikgewas, een troosteloos en onherbergzaam kraggenlandschap zonder economische waarde. De Gietersen zelf keken hier anders naar. Zij visten er, sneden er riet en maakten er elk jaar hun klampje turf. Struiken werden gekapt en tot takkenbossen gebonden. Vrijwel elke Gieterse en Dwarsgrachter veehouder had één of meer percelen, bezit waaraan hij was gehecht en dat een wezenlijke bijdrage leverde aan zijn bestaan. Van de oude legakkers en de verlande trekgaten haalde hij ribbehooi dat werd verkocht als inpakmateriaal voor glaswerk, als bloembollendek en als veevoer. Op het niet vergraven veengrasland weidde hij zijn jongvee en soms ook zijn melkvee.
Het was crisistijd met vanaf 1925 een sterk oplopende werkloosheid. De regering maakte de uitvoering van dit grootse ontginningsplan mogelijk omdat ze er een werkverschaffings-project inzag.
Werkverschaffing
Het was crisistijd met vanaf 1925 een sterk oplopende werkloosheid. De regering maakte de uitvoering van dit grootse plan mogelijk omdat ze er een werkverschaffingsproject inzag. Ook het kanaal Steenwijk-De Blauwe Hand paste in dit streven. Men hoopte dat dit ook blijvende werkgelegenheid zou opleveren voor de plaatselijke bevolking en het met de ‘geesel van de werkloosheid’ zou zijn gedaan. Velen trokken die jaren naar de industrie in Twente. Vooral ‘s winters was er te weinig werk. Honderden werklozen uit de omgeving, maar ook van ver daarbuiten, vooral uit verschillende grote steden in het westen, veranderden in deze jaren de drooggelegde gronden in landbouwgronden. De streekwerklozen gingen aan het eind van de werkdag naar huis, de grotestadswerklozen, onder wie veel Rotterdammers logeerden in barakkenkampen aan de rand van de polder. Als je in die jaren al een uitkering kreeg, dan maximaal dertien weken. Het grondwerk op het land was zwaar en eentonig en niet iedereen kon hier aan wennen. Velen hadden voordien nooit een schop in handen gehad.
‘Verloren tooverland’
Bezwaren waren er natuurlijk ook tegen de inpoldering. Vooral de jonge doopsgezinde predikant A.L. Broer, geboren en getogen in Giethoorn, kon het maar moeilijk verwerken dat het dorp en de omgeving ervan een heel ander gezicht zouden krijgen. In de Steenwijker Courant (22 december 1928) schreef hij: ‘De eerste spade is gezet, Met de vernietiging van het oude, prachtige landschap rondom Giethoorn zal een begin worden gemaakt. Het tooverland van onze jeugd zal binnen afzienbare tijd een verloren tooverland zijn’. Bijna niemand had hier oog voor. Wel vond Broer de jonge Stichting tot Behoud van Natuurmonumenten aan zijn zijde en de plannen voor het inpolderen van zelfs het Bovenwiede werden Goddank op de lange baan geschoven.
Hard gelag
Men begon in 1928 met een proefpolder. De gronden werden aangekocht. Voor veel grondeigenaren was dit voldoende om de gronden bij minnelijke schikking af te staan. Ze kregen voorkeursrecht om, na de ontginning, gecultiveerde gronden terug te kopen. Als gevolg van de crisis kwam hier uiteindelijk weinig van terecht; de vroegere grondeigenaren konden het geld veelal niet meer op tafel leggen. Van gedwongen verkoop was ook sprake geweest. Toezeggingen bleken van papier zeker voor een aantal kleinere veehouders, riettelers en vissers die hun bestaansbron geheel of gedeeltelijk zagen wegvallen. Dat moet een hard gelag zijn geweest. Er was veel armoede en bitterheid. Maar moed verloren al verloren. Er komt toch weer andere tijd.
Inspiratie: T.R. Stegeman, Giethoorn en de werkverschaffing 1928-1940, Kampen: IJsselacademie, 1987.































